We hadden het zo fijn
Ik besef het wel, ook al ben ik nog zo klein
We hadden nog zoveel moeten doen
Opa, een hele, hele dikke zoen
Overlijdensgedichten – pagina 26
Mijn vader sterft: als ik zijn hand vasthoud
voel ik de botten door zijn huid heen steken
ik zoek naar woorden, maar hij kan niet
spreken
en is bij elke ademtocht benauwd
Dus schud ik kussens en verschik de deken
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwig oud
en blijf als kind eeuwig in gebreke
Wij volgen één voor één hetzelfde pad
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mezelf nu bij zijn bed gezeten
Straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb lief gehad
De ene mens leeft maar een jaar of zeven
de ander honderd en geen centje pijn
Soms als ik nadenk over het leven
denk ik, wat kan het toch oneerlijk zijn
Het is alweer een jaar geleden
wij hier, jij daar
verdriet wordt steeds meer gemis
maar de vraag blijft waarom het zo is
Van het concert des levens
krijgt niemand een program
Ik weet niet hoe het zal zijn in die dagen
wanneer is scheep ga voor de laatste reis
Mijn schip zal dan de laatste storm verdragen
en landen in Gods paradijs
Neem mij, Heer, het roer dan maar uit handen
en laat mij zingend op de voorplecht staan
Dan zal mijn schip niet op rotsen stranden
maar veilig in Uw haven gaan
De laatste reis
Een stormwind ruist in zijn oren
wanneer hij gepord wordt voor de laatste reis
een donkere nacht als nooit tevoren
omfloerst z'n schip in mistig grijs
Hij ordent koers en snelheid
maar antwoorden doet er geen
de laatste reis naar de eeuwigheid
die maakt de mens alleen
Hij vindt de weg naar buiten
en op zoek naar de uiterton
ziet hij door de beslagen ruiten
het dovend vuur van de levensbron
Hij weet dat hij goed op koers ligt
en geeft nog éénmaal volle kracht
hij houdt het oog op het stervend licht
het dooft, hij heeft de reis volbracht
Bijzondere mensen sterven niet
zij gaan wel
maar blijven toch
voor altijd....
Nooit meer jij
maar liever dan dat te aanvaarden
droom ik dat je er nog bent
héél dicht bij mij
Nooit meer jij
de dood is onherroepelijk
't besef doet schrijnend pijn
van nooit meer wij
Nooit meer jij
wat overblijft is de herinnering
aan liefde, zo warm en zuiver
tussen jou en mij
Als het met de zomer is gedaan
en de herfst breekt voor mij aan
Heer, laat mij dan in vrede gaan
zonder leed en zonder pijn
dan zal het voor mij weer lente zijn
Twee in elkaar gesloten handen
het is altijd een geheim
het kan heel persoonlijk wezen
het kan ook een beginnen zijn
Het kan een troost zijn, medeleven
het kan een steun zijn, woordeloos
het kan ook een afscheid wezen
voor altijd, meedogenloos
Maar wat die handdruk ook betekent
wat het dan ook wezen mag
het geheim ligt tussen deez' twee handen
een troost, een steun, een groet, een lach
Wat is het leven van een mens
een voetstap in het zand
die weer wordt weggevaagd
wanneer de vloed de grens verplaatst
tussen zee en strand
Vrije vogel, vlieg maar heen
naar je toekomst zonder pijn
Laat maar los je aardse banden
je zult in Gods handen veilig zijn
Weinig nemen en veel geven
altijd hartelijk en warm
als de mensheid zoals jij was
was de wereld niet zo arm
Wat vreemd dat je er niet zult wezen
wanneer wij weer naar huis zullen gaan
je zult niet in de kamer staan
en ons begroeten als voor dezen
O, die vertrouwde kleine dingen
die je zo onopvallend deed
die zullen wij missen
tot dit leed verstild is
tot herinneringen
En ook al heb je ons verlaten
je laat ons nooit alleen
wat wij in jou bezaten
blijft altijd om ons heen