Adventsgedicht: ‘Vier kaarsen’
Eén kaars voor het wachten,
twee voor de hoop die groeit,
drie voor het licht dat nadert,
vier voor de nacht die bloeit.
Zo tellen wij de zondagen
tot het kind geboren is —
advent is leren wachten
op wat al onderweg is.
Meer kerstgedichten
Niet alleen wanneer het Kerstmis is
Niet alleen wanneer het Kerstmis is
maar het hele jaar door
komt de vreugde die je uitdeelt
terug bij jezelf van hier en daar
En hoe meer je van jouw zegen
geeft aan mensen zonder vreugd
des te meer zul je ontvangen
zodat het je hart verheugt
als de kerstbel klinkt
als de kerstbel klinkt
en de kerstman swingt
de kerstroos bloost
brengen wij onze toost
Vrede
Al vind je er geen bal aan
Al kan die boom je gestolen worden
Al denk je wat moet ik met die romantiek
Al denk je alweer zo’n kerstkaart
Toch wil ik het erop wagen
Toch wil ik iets tegen je zeggen
Toch hoop ik iets voor je
Dat je vrede hebt met je zelf!
— José van Rosmalen
Kerst
Het is vanavond kerstfeest,
de boom hangt dan goed vol.
Daarvan hou ik het meest,
met meer dan één kerstbol.
Het is dan bijna nieuwjaar,
iedereen krijgt dan pakjes.
Dat is een lief gebaar,
hopelijk ligt er sneeuw op de dakjes.
Boven aan de boom staat er een ster,
het kindje werd geboren.
De koningen kwamen van ver,
geen moment de weg verloren.
Het feesten is spijtig genoeg dan gedaan,
we moeten terug naar het werk gaan.
Na de kerst hebben we echt veel spijt,
we hopen dat het jaar snel slijt.