Dieren gedicht: βhondβ
gevlekt gespierd en soms te veel
maar altijd trouwogend
trekkend naar geluk
om ooit te vinden
waar en wanneer ook hij weet het niet
altijd maar doorgaan
met of zonder pijn
stil liggen wachten op weer een nieuwe dag
alles van vooren en weder nog eens
totdat we weer saam zijn
dan is het goed
mag de nacht ook weer komen
tot het volgend ontwaken
en dan weer opnieuw
hoelang wil je doorgaan
hopelijk nog lang
nimmer zal vergeten nu niet en nooit
hondstrouwe blik gestippelde vriend
— Twan Hendriks
Vind je dit gedicht mooi? Geef het een hartje.
Meer dieren gedichten
Bij mij vlak voor het raam zie ik
dagelijks een mooi meisje gaan.
Die telkens rond van borst haar
Schoonheid langs mijn raam torst.
Ik kijk er vol bewondering naar en
beleef genoegen aan wat ik ervaar.
In vrijheid verlang ik naar een pleziertje
Met zo'n aardig diertje.
Wat zou ik graag bij haar willen zijn
En haar toespreken zonder uiterlijke
Schijn. Maar steeds als ik iets zeggen
Wil, besef ik dat ik woorden aan mijn
Lippen verspil.
Want voor ik het weet is mijn hoop vervlogen
En is haar silhouet langs mijn raam geschoven.
Teleurgesteld in mijn dag verzamel ik nieuwe
Moed. Ik verwacht haar morgen als het
Morgen moet.
Bij mij vlak voor het raam zie ik
dagelijks een mooi meisje gaan.
Morgen zet ik mijn raam op een kier
Als het roodborstje laat weten dat zij
Deelt in mijn plezier.
— Willem Bernardus Tijssen
Koninklijk schudt het paard zijn manen
En overziet het de piste bij een hooggewaardeerd.
Het paradeert door de arena en overtuigt het publiek
Van zijn kunnen, zoals het heeft geleerd. Het springt
Door een hoepel, over de laatste hindernis en draaft
Spoorslags naar zijn stal ten einde van een belevenis.
Nog eenmaal ziet het om naar zijn publiek
Schudt het zijn manen met een edele chique.
Zo geeft het drie maal daags acte de presence
Op de passen van zijn paardendans. Blijft het
Trots excelleren; het publiek zal het blijvend waarderen.
Want het beste paard staat niet graag op stal;
Het wil blijven excelleren voor een publiek in duizendtal.
— Willem Bernardus Tijssen
Tussen het groen verborgen
in de kleurige klimop
'n Broedende merel
gezinnetje in de dop
Onbewust
het naderend gevaar
'n Scherploerende blik
van 'n sluipmoordenaar
Door moederlijke warmte
vredig omringd
Pa merel fluitend
zijn wiegenliedje zingt
Tot kille wreedheid
genadeloos toeslaat
Op de vlucht slaan
jammerlijk te laat
Worden angstige kreten
en 'n uiteengereten nest
Harde getuigen
van wat nog rest
— Dichterbij
Mijn lief konijntje
jij bent in de dieren hemel
zegt mijn mama
Maar heeft ze echt gelijk.
Telkens moet ik
stiekem huilen
als ik naar jouw
lege hokje kijk.
— Droomster