De oude dag
het kleine lijfje trilt
een opstaan met moeite
haar spirit wil nog wel
maar haar pootjes even niet
ze wil zo graag nog spelen
rennen, haar bal achterna
maar de grenzen
worden pijnlijk aangegeven
haar leeftijd begint te tellen
oogjes zacht en lief
geven een waas van ouderdom
tijd begint te tikken
— Dichterbij
Meer dieren gedichten
Als dieren konden praten
Als dieren konden praten
Als dieren konden praten,
al was het maar voor even.
Wat blijft er dan nog over van de mens.
Of steken we daarna ons hoofd,
nog dieper in het zand.
En leven we voort,
in zogenaamde onwetendheid.
Dit laatste, is dat wat ons van dieren scheidt.
Zij leven in de pijn van de werkelijkheid,
iedere seconde van de dag.
— Ingrid van der Weegen
dieren
de leeuw is de koning
de olifant het grootst
de koe is soms heilig
varkens zijn om op te eten
maar niet door iedereen
de mier is de slaaf
de luis is het kleinst
de vlo is vaak lastig
mensen zijn vaak varkens
gelukkig niet iedereen
— Twan Hendriks
Twee Eekhoorntjes
Zacht en klein;
Een prachtig rood bruine kleur;
Een vacht als goudbruine likeur.
Een sierlijke pluimstaart;
Wollig, fier recht omhoog, zo gewoon;
Springt hij op een tak in de boom.
Vlak voor mij op het pad
rent ook nummer twee;
Ze gaat met haar vriendje mee.
Razend snel en vrolijk
Rennen ze door het bos
Over het het pad en het zachte mos.
Klimmen kunnen ze als de beste,
Terwijl de zon schijnt
In het westen.
Men ziet ze bezig,
Heel handig met twee pootjes;
Daarmee eten ze hun dagelijkse portie nootjes.
Heel zacht en voorzichtig
Leg ik mijn eigen nootjes neer;
Wie weet, misschien komen ze dit keer.
Ik loop een stukje achteruit
en wacht tot dat ze beneden komen.
Ze stellen mij niet teleur en de buit wordt meegenomen.
Een schitterend schouwspel zo iets mee te maken.
twee eekhoorntjes in het bos
Die mijn nootjes kraken.
— Willem Bernardus Tijssen
Mijn Kat Uit De Maand Mei
Dat is mijn kat, dat is die kat uit de maand mei
Die daareven schijnbaar onverschillig aan mij zat;
Die spinnend, spottend en spiedend mij op de
Korrel nam.
Dat is mijn kat, dat is die kat uit de maand mei
Die daareven met haar vrijage mij op de proef nam;
Die kirrend, krabbend en kwispelend op mijn schoot
Tot rust kwam.
Dat is mijn kat, dat is die kat uit de maand mei
Die daareven met het groen van haar ogen mij
Heeft bewogen; die met haar blik uit verre oorden
Mij nog steeds laat blozen.
Dat is mijn kat, dat is die kat uit de maand mei
Die daareven met haar fiere frisheid mij in haar
Gevangen hield; die kat uit mei voor wie ik definitief
Ben geknield.
— Willem Bernardus Tijssen