Kerstgedicht: βKerstnachtβ
Kerstnacht - het woord is als een lafenis,
een koele sneeuw, glanzend onder het zachte
stralen der sterren - op de landen is
het weerloos stil, een ongerept verwachten.
Kerstnacht - het eenzaam zwerven der gedachten
rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken
verlangen naar het helder zingen in de nacht en het
opgaan van de ster, een lichtend teken.
Kerstnacht - het sneeuwt op uw geschonden aarde,
dun en versnuivend dekt een huivering
van ijle val, een lichte zuivering
het vragen, dat wij ongesteld bewaarden.
Meer kerst gedichten
It's the time of Christmas
It's the time of Christmas
and beneath the tall tree
toy soldiers are celebrating
and marching with glee
For Christmas is coming
tomorrow's the day
so awake with a smile
Christmas joy's on the way
Niet alleen wanneer het Kerstmis is
Niet alleen wanneer het Kerstmis is
maar het hele jaar door
komt de vreugde die je uitdeelt
terug bij jezelf van hier en daar
En hoe meer je van jouw zegen
geeft aan mensen zonder vreugd
des te meer zul je ontvangen
zodat het je hart verheugt
Waar liefde heeft een hart van steen
Waar liefde heeft een hart van steen
en lachen helpt tegen geween
Voert Kerst al tijden hevig strijd
voor Vrede en de Menselijkheid
Om zoveel warmte kan niemand heen
de beste wensen voor tweeduizend en één
Jozef zat stil te staren
Jozef zat stil te staren,
hij kon het niet verklaren.
Hoe kon het dat zijn lieve vrouw
zwanger was, ze was hem toch trouw?
In het lot schikken moest hij zich,
het kleine, onschuldige wicht
dat in haar schoot verborgen was,
Zou geboren worden alras.
Dan samen nog de reis ondernemen,
en zij was al zover henen,
ze liep toch reeds op alle dag
en zitten op een ezel! 't is wat men vermag.
Vele vragen die hem bezig hielden,
soms wist hij niet wat hem bezielde.
Weglopen van dat alles ging niet meer,
zijn gedachten gingen ?
Maria, vermoeid zag ze hem aan,
"Jozef we moeten verdergaan".
Bij de herbergen moet je kwartier gaan vragen,
het kind wordt te zwaar om nog te dragen.
Jozef, opschrikkend uit zijn gedachten,
moest een plaats vinden om te overnachten.
Het kindje kondigde zich al aan,
Maria die koest nu rusten gaan.
Ongerust en vol met zorgen,
keek hij op naar de dag van morgen.
Toen hij Maris in haar gezichtje keek,
zag zij van vermiedheid bleek.
Nergens kon hij onderdak vinden,
niet eens een plek om het ezeltje aan te binden, zodat ze even rusten konden,
het liep al tegen de morgenstonde.
Een man, vervult met mededogen,
keek Mariain haar ogen,
en wees Jozef de weg naar een stal.
"Opdat zij wat rusten zal."
Waren zij daar aangekomen,
engelenzang werd er vernomen.
Herders in de velden knielden neer,
en vonden het kindje teer,
slapend bij zijn moeder,
en Jozef was hun hoeder.
Toen hij hen daar beiden zo zag,
verscheen er op zijn gezicht een lach.
Het vertrouwen tussen Jozef en de Heer,
was er op dit moment alweer.
Zijn vrouw en zijn kindje zoet,
nu was ook voor Jozef alles goed.