Direct naar de inhoud

Dierenleed : 'Dierenleed'

Een leeuw brult in de nacht,
Als hij getart wordt in zijn kracht.
Is hij in het oerwoud de laatste der Mohikanen?
Een koning zonder onderdanen?
Al spoedig dooft zijn ster, als het schot
Van de jager klinkt van ver.

Een olifant trompettert luid,
Als zijn rust verstoord wordt om
slagtanden of huid. Is hij te groot
Voor de kast met het aardse porselein?;
Een relikwie waarover de mens meester moet zijn?
Al spoedig blaast hij zijn laatste adem uit,
Als hij geveld wordt door een dodelijke spuit.

Een chimpansee lacht zijn tanden bloot,
Als zij gefilmd wordt voor een apennoot.
Is zij het clowneske menselijke evenbeeld; Een
Spiegel die om zijn menselijke trekken niet verveelt.
Al spoedig verandert haar lach in een grimas,
Als zij merkt dat het haar laatste optreden was.

Is het de mens die het hardste brult?;
Die zich in dierenhuiden hult?
Is het de mens die met zijn aardgenoten speelt?;
Die van alles neemt en nimmer deelt?
In het dierenrijk lijkt zijn almacht groot; tot dat
De slang hem aan zijn laatste maaltijd noodt.

— Willem Bernardus Tijssen

Vind je dit gedicht mooi? Geef het een hartje.

Lang
Terug naar overzicht

© Copyright 1996-2026