Jij die zich gracieus voortbeweegt
Ik volg jou.
Ik aanbid jou.
Jij prachtige vlinder.
Jij die zich gracieus voortbeweegt.
Jij die mij zonder woorden vertelt,
in wat voor een wonderlijke wereld
ik leef.
— Ingrid van der Weegen
Meer dieren gedichten
De zwarte vogel
De zwarte vogel
zij hebben hun vogel opgetuigd
met toeters bellen en veel linten
vandaag vliegt hij uit
nog zijn de vleugels lang
maar de scharen van rancuneuzen
zullen hem snel kortwieken in zijn vliegen
breedsprakerig was zijn bek
nog vol met oude leuzen
het eerste piepen klinkt niet slecht
de hordes zijn weer neergestreken
na hun lange koninginnevlucht
de zwarte vogel is gebleven eenzaam in de lucht
— Wil Melker
Witje ons konijn
lief wit konijn
wat zat je altijd fijn
voor de deur op wacht
na de lange nacht
stak ik buiten mijn voeten
dan kwam je me meteen begroeten
ging je niet meer van mijn zij
huppelde je blij
door onze tuin
al maakte je wel puin
overleefde geen enkele bloem
als ik je Witje noem
dan kwam je meteen
zo'n konijn was er maar een
acht lange jaren
hoe fijn die waren
is niet te beschrijven
je kon niet langer blijven
op een morgen zat je er niet
dat gaf ons veel verdriet
met liefde hebben we je begraven
nu zul je nooit meer draven
nooit meer eten aan de bloemen
Witje we blijven je roemen
— Marill Meijs
Twee Eekhoorntjes
Zacht en klein;
Een prachtig rood bruine kleur;
Een vacht als goudbruine likeur.
Een sierlijke pluimstaart;
Wollig, fier recht omhoog, zo gewoon;
Springt hij op een tak in de boom.
Vlak voor mij op het pad
rent ook nummer twee;
Ze gaat met haar vriendje mee.
Razend snel en vrolijk
Rennen ze door het bos
Over het het pad en het zachte mos.
Klimmen kunnen ze als de beste,
Terwijl de zon schijnt
In het westen.
Men ziet ze bezig,
Heel handig met twee pootjes;
Daarmee eten ze hun dagelijkse portie nootjes.
Heel zacht en voorzichtig
Leg ik mijn eigen nootjes neer;
Wie weet, misschien komen ze dit keer.
Ik loop een stukje achteruit
en wacht tot dat ze beneden komen.
Ze stellen mij niet teleur en de buit wordt meegenomen.
Een schitterend schouwspel zo iets mee te maken.
twee eekhoorntjes in het bos
Die mijn nootjes kraken.
— Willem Bernardus Tijssen
Het Circuspaard
Koninklijk schudt het paard zijn manen
En overziet het de piste bij een hooggewaardeerd.
Het paradeert door de arena en overtuigt het publiek
Van zijn kunnen, zoals het heeft geleerd. Het springt
Door een hoepel, over de laatste hindernis en draaft
Spoorslags naar zijn stal ten einde van een belevenis.
Nog eenmaal ziet het om naar zijn publiek
Schudt het zijn manen met een edele chique.
Zo geeft het drie maal daags acte de presence
Op de passen van zijn paardendans. Blijft het
Trots excelleren; het publiek zal het blijvend waarderen.
Want het beste paard staat niet graag op stal;
Het wil blijven excelleren voor een publiek in duizendtal.
— Willem Bernardus Tijssen