Sinterklaasgedicht: ‘Sinterklaas een handje geven’
Sinterklaas een handje geven
en een poosje bij hem staan
en een liedje voor hem zingen
ik heb het allemaal gedaan
Maar op zijn wang een dikke zoen
nee, dat durf ik niet te doen
ook al zegt hij tegen mij:
je krijgt een pakje in je schoen
al dat lange witte haar
voelt zo raar
Zwarte Piet een handje geven
en mijn mooiste tekening
en vertellen dat ik 's avonds
ook voor hém een liedje zing
en een zoen voor Zwarte Piet?
Ja hoor, want die kriebelt niet!
— Nannie Kuiper
Vind je dit gedicht mooi? Geef het een hartje.
Past hierbij — meer sinterklaas
Sint en piet zaten te bedenken,
Dat pakjesavond er is voor geschenken,
Sinterklaas is weer in het land,
Met cadeaus voor heren en stand.
Dit is het cadeau dat precies bij je past,
Sint hoopt dat hij je daar blij mee verast,
Wie had dat ooit verwacht?
Op deze verassing heb je al heel lang gewacht.
Je krijgt nu wel dit mooie ding,
Want sint wist dat het allemaal om ging,
alle kinderen groot en klein,
Moeten lief en aardig zijn.
De zak met pakjes is bijna weer leeg,
Iedereen is blij en tevree wat hij allemaal kreeg,
Dit is het cadeau waar je op zat te wachten,
Geniet er maar van en hou sint in gedachten.
Sinterklaas
Met zijn paardje in gestrekte draf
Zijn rode mijter en gouden staf
Komt hij langzaam van de stoomboot af
In zijn hand lig een heel groot dik boek
maar vele kindjes die zijn nog zoek
en rapen her en daar nog wat snoep
Met zijn twee witte handschoenen aan
Kijkt de Sint heel lief en zo voldaan
Naar ons allen die nu rond hem staan
Naast de Sint staat onze zwarte piet
Met twee wortels en een rode biet
Maar zijn grote zak die zien wij niet
Het zal nooit meer prettig zijn als toen
Met onze laarsjes, of onze schoen
’t is nu Sinterklaasje voor de poen
— Vermeersch Jean-Paul
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas Van dure speelgoedwinkel. O! dat was Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras; En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach! Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen, dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat. Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen, Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
— Johan Andreas Dèr Mouw (geboren in 1863, overleden in 1919)